Vervoersmiddelenbezit

Aandeel (%) van de gezinnen dat in het bezit is van een wagen, een fiets of een abonnement openbaar vervoer.

Vervoersmiddelenbezit: Tabel
Vervoersmiddelenbezit: Grafiek 3
Vervoersmiddelenbezit: Grafiek
Vervoersmiddelenbezit: Grafiek 2
Toelichting

Het voertuigbezit (auto, fiets of openbaar vervoer-­abonnement) geeft weer welke vervoersopties de inwoners van de stad hebben. Hoe meer bezit en vervoersopties een inwoner heeft, hoe mobieler hij/zij is. Inzicht in deze aanwezige vervoersmogelijkheden is van belang voor:

het verder beheersen van de mobiliteitsvraag door verweven van functies,
efficiënte en evenwichtige inzet van vervoersmodi en –infrastructuur,
beperken van verkeershinder en verkeersdruk op natuur en milieu.

In 2014 heeft gemiddeld 9 op de 10 gezinnen minstens 1 wagen, 9 op de 10 gezinnen beschikt eveneens over minstens 1 fiets, 2 op de 3 gezinnen heeft minstens 1 abonnement voor het openbaar vervoer. Bij het wagenbezit en bezit van abonnementen is er sprake van een significante stijging in vergelijking met 2011.

Het wagenbezit in Antwerpen, Leuven, Gent en Oostende ligt lager dan elders. In Genk, Hasselt, Roeselare, Aalst en Kortrijk ligt het wagenbezit dan weer hoger dan het gemiddelde voor de 13 centrumsteden. In bijna alle steden is er sprake van een significante stijging van het wagenbezit, behalve bij Gent en Kortrijk.

In Sint-Niklaas, Kortrijk, Turnhout en Brugge ligt het fietsbezit dan weer erg hoog, met 93% tot 94% van de gezinnen die minstens één fiets bezitten. Het fietsbezit in Antwerpen ligt onder het gemiddelde van de centrumsteden. In Gent en Kortrijk is er een significante stijging van het fietsbezit in vergelijking met 2011. In diezelfde periode was er een significante daling in Genk.

In Oostende, Gent en Antwerpen hebben meer dan 7 op de 10 gezinnen minstens 1 abonnement voor het openbaar vervoer. In Kortrijk, Roeselare, Turnhout en Brugge ligt het bezit onder het gemiddelde van de 13 centrumsteden. In alle steden zien we een significante stijging van het abonnementenbezit, behalve in Roeselare. Daar is zelfs sprake van een significante daling. De spectaculaire toename in Hasselt is het gevolg van het afschaffen van het gratis openbaar vervoer via De Lijn binnen de stadsgrenzen.

Mannelijke respondenten geven veel vaker dan vrouwen aan dat hun gezin een wagen bezit. Vrouwen geven dan weer vaker aan dat er minstens één abonnement openbaar vervoer in het gezin is. Jongere respondenten blijken vaker dan 55-plussers een fiets te bezitten in hun gezin. Bij de abonnementen voor openbaar vervoer en het wagenbezit is de situatie omgekeerd: hier geven oudere respondenten vaker bezit in het gezin aan dan jongere respondenten. Hoger opgeleiden hebben vaker een wagen en fiets in het gezin dan lager opgeleiden, maar wel minder vaak een abonnement voor het openbaar vervoer. Eenzelfde verhaal geldt voor respondenten met de Belgische nationaliteit. Zij hebben vaker een auto of fiets in het bezit in hun gezin, en minder vaak een openbaar vervoerabonnement. Respondenten met inwonende kinderen in het gezin tenslotte hebben voor alle drie de modi een hoger bezit dan gezinnen zonder inwonende kinderen.

Deze indicator kan men best lezen samen met ‘Basismobiliteit in de wijk’, ‘Tevredenheid over het aanbod aan parkeerplaatsen voor bewoners in de buurt’, ‘Verplaatsingen in de vrije tijd, tussen woonplaats en werk’ en ‘Verplaatsingsgedrag tussen woonplaats en werk/school’.