Verplaatsingen tussen woonplaats en het werk/ de school

Modale verdeling van de verplaatsingen tussen woonplaats en school, per vervoermiddel, in %.

Verplaatsingen tussen woonplaats en het werk/ de school : Tabel
Verplaatsingen tussen woonplaats en het werk/ de school: Grafiek 4
Verplaatsingen tussen woonplaats en het werk/ de school: Grafiek 1
Verplaatsingen tussen woonplaats en het werk/ de school : Grafiek 2
Verplaatsingen tussen woonplaats en het werk/ de school: Grafiek 3
Toelichting

De leefbaarheid en duurzaamheid van de stad worden sterk mede bepaald door de manier waarop inwoners en stadsgebruikers zich verplaatsen, onder andere voor hun verplaatsingen naar het werk of naar de school. Een efficiëntere en evenwichtige inzet van vervoersmodi en -infrastructuur moeten er toe bijdragen dat in de stad pas in laatste instantie beroep gedaan wordt op de auto om zich te verplaatsen. Dit met het vooruitzicht om de verkeers­hinder en verkeersdruk op natuur en milieu te verminderen. Belangrijk daarbij is de toegankelijkheid tot de alternatieve vervoersmodi en –infrastructuur te verhogen.

Om naar het werk of school te gaan staat de wagen op de eerste plaats. Net iets minder dan de helft van de respondenten geeft aan hiervoor (heel) vaak de wagen te gebruiken. 8% geeft aan vaak als passagier in de wagen te zitten voor woon-werk- of woon-schoolverplaatsingen. 1 op de 5 van de inwoners verplaatst zich frequent te voet, ruim 1 op de 3 gebruikt vaak de fiets. Het gebruik van openbaar vervoer voor woon-werk/schoolverplaatsingen ligt minder hoog: 19% van de stedelingen gebruikt frequent de tram of bus, en 13% de trein. De motor of bromfiets is voor slechts 4% van de inwoners een frequent gebruikt vervoermiddel voor transport naar werk of school.

Het gebruik van de vervoermiddelen is verschillend in de 13 steden. In Mechelen en Leuven gaat 1 op de 4 inwoners vaak te voet naar school of het werk, terwijl dat in Hasselt, Roeselare en Genk beperkt blijft tot 1 op de 10 inwoners. De fiets is een populair vervoermiddel in Brugge, Leuven, Turnhout en Gent. Meer dan 4 op de 10 bewoners gebruikt dit transportmiddel frequent. Bus en tram worden in de grootsteden het vaakst gebruikt, met vooral Antwerpen als uitschieter. De trein wordt frequent gebruikt door de Mechelaars (1 op de 4 inwoners), Aalstenaars en Leuvenaars. De inwoners van Genk, Hasselt, Kortrijk en Roeselare nemen het vaakst de wagen naar het werk of school (2 op de 3 inwoners.) In Leuven beperkt zich dit tot 37% van de inwoners.

Door een kleine aanpassing van de vraagstelling is het niet mogelijk om na te gaan of er significante verschillen zijn in de tijd. De verschillen weergegeven in de tabel dienen dus met de nodige omzichtigheid geïnterpreteerd te worden.

Mannen nemen vaker de wagen en de motor dan vrouwen voor verplaatsingen naar het werk of school. Vrouwen kiezen vaker dan mannen voor de fiets en tram of bus. Ze pendelen ook vaker te voet of als autopassagier. 55-plussers gaan vaker te voet of per trein naar het werk dan jongeren. De fiets, bus of tram, motor en de passagierszetel in de wagen zijn minder populair bij deze hoogste leeftijdsgroep dan bij de jongeren. Hoog opgeleiden kiezen vaker dan lager opgeleiden voor de wagen, de trein of de fiets, en minder voor de bus of tram, te voet, motor of passagierszetel in de wagen. Mensen met de Belgische nationaliteit verplaatsen zich ook frequenter met de wagen naar het werk of de school dan niet-Belgen. Niet-Belgen gaan vaker te voet of nemen de bus of tram. Respondenten zonder inwonende kinderen pendelen vaker per trein of gaan te voet naar school of werk dan respondenten met kinderen in het gezin.

Er werd ook gepeild naar het hoofdvervoermiddel bij de woonwerk/schoolverplaatsing. Hierbij wordt gevraagd naar het verplaatsingsmiddel waarmee de langste afstand tussen de woonplaats en werk/school overbrugd wordt. Hieruit blijkt dat in Oostende en Antwerpen vaker dan elders te voet naar het werk/school wordt gegaan. In Turnhout, Brugge, Leuven en Gent gebruikt ongeveer 1 op 3 pendelaars de fiets. In Genk, Aalst, Mechelen en Hasselt ligt het aantal fietsers aanzienlijk lager. Het openbaar vervoer is populair in Mechelen, Antwerpen en Leuven en wordt daar door een kwart van de pendelende bevolking als hoofdvervoermiddel gebruikt. Het privaat gemotoriseerd vervoer (auto en motor) wordt in Genk, Hasselt, Kortrijk en Roeselare door meer dan 6 op 10 inwoners gekozen voor de woon-werk/schoolverplaatsing. In Leuven, Antwerpen en Gent wordt veel minder voor dit vervoer geopteerd.

Deze indicator kan men samen bekijken met indicatoren zoals ‘Verplaatsingen in de vrije tijd’, ‘Verplaatsingsgedrag tussen woonplaats en werk/school’.