Verplaatsingen in de vrije tijd

Modale verdeling van de verplaatsingen in de vrije tijd, per vervoermiddel, in %.

Verplaatsingen in de vrije tijd: Tabel
Verplaatsingen in de vrije tijd: Grafiek 1
Verplaatsingen in de vrije tijd: Grafiek 3
Verplaatsingen in de vrije tijd: Grafiek 2
Toelichting

De leefbaarheid en duurzaamheid van de stad worden sterk mede bepaald door de manier waarop inwoners en stadsgebruikers zich verplaatsen, onder andere voor hun verplaatsingen in de vrije tijd. Een efficiëntere en evenwichtige inzet van vervoersmodi en -infrastructuur moeten er toe bijdragen dat in de stad pas in laatste instantie beroep gedaan wordt op de auto om zich te verplaatsen. Dit met het vooruitzicht om de verkeershinder en verkeersdruk op natuur en milieu te verminderen. Belangrijk daarbij is de toegankelijkheid tot de alternatieve vervoersmodi en –infrastructuur te verhogen.

Niet langer de auto, maar zich te voet verplaatsen is nu de meest gebruikte optie voor verplaatsingen in de vrije tijd. 6 op de 10 inwoners in de centrumsteden verplaatst zich frequent te voet. Iets meer dan de helft van de respondenten geeft aan (heel) vaak de wagen te gebruiken. Een derde geeft aan vaak als passagier in de wagen te zitten voor vrijetijdsverplaatsingen. Bijna de helft van de stedelingen gebruikt vaak de fiets. Het gebruik van openbaar vervoer voor vrijetijdsverplaatsingen ligt niet zo hoog: 31% van de stedelingen gebruikt frequent de tram of bus in zijn vrije tijd, en slechts 11% de trein.

Het gebruik van de verschillende vervoermiddelen is verschillend in de 13 steden. In Antwerpen, Leuven en Oostende wordt vaker gewandeld. Genk, Roeselare, Kortrijk, Sint-Niklaas, Hasselt en Aalst tellen minder wandelaars dan het gemiddelde voor de 13 centrumsteden. De fiets is een populair verplaatsingsmiddel in Turnhout, Brugge, Leuven, Sint-­Niklaas, Mechelen, Gent en Hasselt en is dat veel minder in Genk, Aalst, Kortrijk, Antwerpen en Roeselare. De bus en tram kennen het meest gebruikers in Antwerpen. Ook Gent en Oostende tellen meer gebruikers dan het algemeen gemiddelde. Alle andere steden zitten onder het gemiddelde. De trein is populairder in Oostende, Mechelen, Leuven, Brugge, Gent en Roeselare en wordt minder vaak gebruikt in Genk, Turnhout, Hasselt, Antwerpen en Aalst. In Genk en Hasselt stappen meer dan 7 op de 10 inwoners vaak in hun wagen voor verplaatsingen in de vrije tijd. In Antwerpen en Leuven is dat minder dan de helft van de inwoners. Genk en Roeselare tellen ook opvallend meer autopassagiers, terwijl Leuven en Gent hier duidelijk onder het gemiddelde zitten.

Er is een significante stijging (2011-2014) van het aantal inwoners dat zich frequent te voet verplaatst in zijn vrije tijd. Dit is het geval in alle 13 centrumsteden. Ook de fiets wordt vaker gebruikt behalve in Genk, Kortrijk, Mechelen, Oostende en Roeselare. Het gebruik van de bus en tram steeg in Antwerpen, Gent en Brugge. Het treingebruik nam toe in Leuven, Mechelen, Brugge en Antwerpen. Respondenten beweren vaker achter het stuur van de wagen plaats te nemen in Genk, Kortrijk, Oostende, Hasselt, Turnhout en Aalst. Significante stijgingen bij het aantal respondenten dat frequent als autopassagier een vrijetijdsverplaatsing maakt zien we in alle steden, behalve in Mechelen, Oostende en Gent.

Mannen zijn vaker dan vrouwen autobestuurder en fietser. Vrouwen nemen frequenter de bus of gaan te voet voor verplaatsingen in de vrije tijd. Ze zijn ook vaker autopassagier. 55-plussers verplaatsen zich meer met de bus dan jongere inwoners. Ze verplaatsen zich minder met de fiets en als autobestuurder dan jongeren. Hoger opgeleiden zijn vaker autobestuurder, treingebruiker, fietser of voetganger bij vrijetijdsverplaatsingen dan lager opgeleiden. Lager opgeleiden zitten dan weer meer op de bus of als passagier in de wagen. Belgen nemen in hun vrije tijd ook vaker de auto en de fiets dan niet-Belgen. De Belgen zitten dan weer minder op de bus en verplaatsen zich minder vaak te voet. Respondenten die deel uitmaken van een gezin met kinderen nemen vaker de wagen voor vrijetijdsverplaatsingen dan respondenten zonder kinderen in het gezin. Ze gaan minder te voet en nemen minder vaak het openbaar vervoer.

De indicator kan men best samen bekijken met indicatoren zoals ‘Verplaatsingen tussen woonplaats en werk/school’ en ‘Verplaatsingsgedrag tussen woonplaats en werk/school’.