Spijbelgedrag in het voltijds secundair onderwijs

Aandeel (%) leerlingen in het voltijds secundair onderwijs dat regelmatig problematisch afwezig is (“spijbelt”).

Spijbelgedrag in het voltijds secundair onderwijs: Tabel
Spijbelgedrag in het voltijds secundair onderwijs: Grafiek
Toelichting

Spijbelgedrag is een schoolloopbaankenmerk dat wijst op een hoger risico om de schoolcarrière niet te voltooien en om een lagere eindkwalificatie en bijgevolg een maatschappelijk zwakkere positie als volwassene te bereiken. Het wijst er op dat onderwijskansen niet gelijk verdeeld zijn over alle lagen van de bevolking.

In een leefbare en duurzame stad biedt het onderwijs, dat voldoende gedifferentieerd en territoriaal uitgebouwd is, gelijke kansen aan kinderen en jongeren, ongeacht het milieu waaruit ze afkomstig zijn. Scholen kennen en gaan actief aan de slag met de achtergrond van kinderen om problemen die een invloed hebben op de schoolcarrière te detecteren en te remediëren. Dit zorgt er voor dat alle jongeren een kwalificatie behalen, die toegang verleent tot de arbeidsmarkt en/of het hoger onderwijs en die de doorstroming naar de arbeidsmarkt en/of het hoger onderwijs faciliteert.

In 2013-2014 ligt het aandeel leerlingen in het voltijds secundair onderwijs dat regelmatig spijbelt in de 13 steden (1,9%) hoger dan in het Vlaamse Gewest (1,3%). In de grootsteden Antwerpen (3,1%) en Gent (2,9%) en in de centrumstad Hasselt (2,9%) ligt het spijbelpercentage hoger dan in de andere centrumsteden. Het hoogste aandeel is te vinden in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (4,0%). Brugge (0,7%) heeft het laagste aandeel, gevolgd door Leuven, Roeselare, Sint-Niklaas en Kortrijk. Jongens spijbelen in de meeste centrumsteden meer dan meisjes. Het verschil is echter doorgaans klein. In de 13 steden is het verschil 0,3 procentpunten, in het Vlaamse Gewest 0,2 procentpunten. In het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest daarentegen loopt het verschil op tot 1,2 procentpunten.

Het aandeel spijbelaars is de laatste 7 jaar gemiddeld met iets meer dan de helft toegenomen. In procentpunten uitgedrukt bedraagt de stijging in de 13 steden en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest 0,7 en in het Vlaamse Gewest 0,4. In de grootsteden is de groei vrijwel gelijk aan die in de overige centrumsteden. De sterkste stijgingen zijn in Hasselt (+2,1 pp) en in Aalst (+1,3 pp), de traagste groei in Brugge (+0,1 pp) en in Roeselare (+0,2 pp), in Oostende uiteindelijk een zeer lichte daling (-0,1 pp).

Deze indicator leest men best samen met indicatoren als ’Schoolse vertraging‘, ‘Spijbelgedrag in het deeltijds secundair onderwijs’, ‘Spijbelgedrag in het lager onderwijs’ en ‘Ongekwalificeerde uitstroom uit het secundair onderwijs’.