Schoolse vertraging in het technisch secundair onderwijs

Aandeel (%) van de leerlingen met schoolse vertraging in het eerste jaar van de tweede graad van het technisch secundair onderwijs (TSO).

Schoolse vertraging in het technisch secundair onderwijs: Tabel
Schoolse vertraging in het technisch secundair onderwijs: Grafiek
Toelichting

Schoolse vertraging is een schoolloopbaankenmerk dat wijst op een hoger risico om de schoolcarrière niet te voltooien en om een lagere eindkwalificatie en bijgevolg een maatschappelijk zwakkere positie als volwassene te bereiken. Het wijst er op dat onderwijskansen niet gelijk verdeeld zijn over alle lagen van de bevolking.

In een leefbare en duurzame stad biedt het onderwijs, dat voldoende gedifferentieerd en territoriaal uitgebouwd is, gelijke kansen aan kinderen en jongeren, ongeacht het milieu waaruit ze afkomstig zijn. Scholen kennen en gaan actief aan de slag met de achtergrond van kinderen om problemen die een invloed hebben op de schoolcarrière te detecteren en te remediëren. Dit zorgt er voor dat alle jongeren een kwalificatie behalen, die toegang verleent tot de arbeidsmarkt en/of het hoger onderwijs en die de doorstroming naar de arbeidsmarkt en/of het hoger onderwijs faciliteert.

In het schooljaar 2013-2014 is in de 13 steden een hogere waarde (43%) vast te stellen dan in het Vlaamse Gewest (33%). De grootsteden kennen waarden die hoger liggen dan in de 11 centrumsteden, behalve Genk. Het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest heeft een nog hoger cijfer dan de 13 Vlaamse steden. In vergelijking met de schoolse vertraging in het algemeen secundair ligt ze in het technisch onderwijs ongeveer drie keer zo hoog.

De schoolse vertraging in het technisch secundair onderwijs varieert in de 13 steden tussen 17% (Roeselare) en 58,5% (Genk). De hoogste waarden zijn te vinden in Genk, Antwerpen, Gent en Mechelen.

In het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, Antwerpen en Leuven is het aandeel leerlingen met meer dan één jaar vertraging groot (vergeleken met alle leer­lingen met vertraging).

Opmerkelijk is het feit dat bij de leerling die woont in de centrumstad de kans op schoolse vertraging beduidend hoger ligt dan bij de leerling die er niet woont. De enige uitzondering hierop is Genk. In de Antwerpse scholen bijvoorbeeld hebben de leerlingen met domicilie in de stad 64% kans op schoolse vertraging, diegenen die buiten de stad wonen 43%.

In de 13 steden zijn de waarden sinds 2007-2008 licht gestegen, terwijl ze in het Vlaamse Gewest stabiel zijn gebleven. In het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest is sprake van een stijging. De toename in procentpunten is in Oostende, Genk en Sint-Niklaas het sterkst. Mechelen en Roeselare kennen de sterkste daling.

Deze indicator leest men best samen met indicatoren als ‘Spijbelgedrag in het voltijds secundair onderwijs’, ‘Spijbelgedrag in het deeltijds secundair onderwijs’, ’Schoolse vertraging in het lager onderwijs, het ASO, het BSO en het KSO‘ en ‘Ongekwalificeerde uitstroom uit het secundair onderwijs’.