Schoolse vertraging in het kunstsecundair onderwijs

Aandeel (%) van de leerlingen met schoolse vertraging in het eerste jaar van de tweede graad van het kunstsecundair onderwijs (KSO).

Schoolse vertraging in het kunstsecundair onderwijs: Tabel
Schoolse vertraging in het kunstsecundair onderwijs: Grafiek
Toelichting

Schoolse vertraging is een schoolloopbaankenmerk dat wijst op een hoger risico om de schoolcarrière niet te voltooien en om een lagere eindkwalificatie en bijgevolg een maatschappelijk zwakkere positie als volwassene te bereiken. Het wijst er op dat onderwijskansen niet gelijk verdeeld zijn over alle lagen van de bevolking.

In een leefbare en duurzame stad biedt het onderwijs, dat voldoende gedifferentieerd en territoriaal uitgebouwd is, gelijke kansen aan kinderen en jongeren, ongeacht het milieu waaruit ze afkomstig zijn. Scholen kennen en gaan actief aan de slag met de achtergrond van kinderen om problemen die een invloed hebben op de schoolcarrière te detecteren en te remediëren. Dit zorgt er voor dat alle jongeren een kwalificatie behalen, die toegang verleent tot de arbeidsmarkt en/of het hoger onderwijs en die de doorstroming naar de arbeidsmarkt en/of het hoger onderwijs faciliteert.

In het schooljaar 2013-2014 is in de 13 steden samen ongeveer dezelfde waarde vast te stellen (40%) als in het Vlaamse Gewest (38%). De instellingen voor KSO zijn dan ook sterk geconcentreerd in de centrumsteden. In Antwerpen liggen de cijfers ongeveer op het niveau van het Vlaamse Gewest, in Gent liggen ze hoger. Ook het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest kent een hoger cijfer dan de 13 centrumsteden als geheel. De schoolse vertraging in het KSO is te vergelijken met die in het TSO.

De schoolse vertraging in het kunstsecundair onderwijs varieert in de 13 steden tussen 30% (Leuven) en 60% (Kortrijk). In Leuven, Hasselt, Oostende, Sint-­Niklaas, Genk en Brugge is ze het laagst. De hoogste aandelen zijn te vinden in Kortrijk, Gent, Aalst, Mechelen en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.

In Mechelen, het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en Sint-Niklaas is het aandeel leerlingen met meer dan één jaar vertraging het grootst (vergeleken met alle leerlingen met vertraging).

Opmerkelijk is het feit dat bij de leerling die woont in de centrumstad de kans op schoolse vertraging beduidend hoger ligt dan bij de leerling die er niet woont, al is dit fenomeen minder uitgesproken dan in andere onderwijsvormen. De uitzonderingen zijn: Kortrijk, Sint-Niklaas en Turnhout. Daar doen de leerlingen die wonen in de stad het dus beter.

In de 13 steden en in het Vlaamse en Brusselse Hoofdstedelijke Gewest zijn de waarden sinds 2007-2008 gedaald. Kortrijk en Turnhout gaan duidelijk tegen die trend in.

Deze indicator leest men best samen met indicatoren als ‘Spijbelgedrag in het voltijds secundair onderwijs’, ‘Spijbelgedrag in het deeltijds secundair onderwijs’, ’Schoolse vertraging in het lager onderwijs, het ASO, het BSO en het TSO’ en ‘Ongekwalificeerde uitstroom uit het secundair onderwijs’.