Schoolse vertraging in het beroepssecundair onderwijs

Aandeel (%) van de leerlingen met schoolse vertraging in het eerste jaar van de tweede graad van het beroepssecundair onderwijs (BSO).

Schoolse vertraging in het beroepssecundair onderwijs: Tabel
Schoolse vertraging in het beroepssecundair onderwijs: Grafiek
Toelichting

Schoolse vertraging is een schoolloopbaankenmerk dat wijst op een hoger risico om de schoolcarrière niet te voltooien en om een lagere eindkwalificatie en bijgevolg een maatschappelijk zwakkere positie als volwassene te bereiken. Het wijst er op dat onderwijskansen niet gelijk verdeeld zijn over alle lagen van de bevolking.

In een leefbare en duurzame stad biedt het onderwijs, dat voldoende gedifferentieerd en territoriaal uitgebouwd is, gelijke kansen aan kinderen en jongeren, ongeacht het milieu waaruit ze afkomstig zijn. Scholen kennen en gaan actief aan de slag met de achtergrond van kinderen om problemen die een invloed hebben op de schoolcarrière te detecteren en te remediëren. Dit zorgt er voor dat alle jongeren een kwalificatie behalen, die toegang verleent tot de arbeidsmarkt en/of het hoger onderwijs en die de doorstroming naar de arbeidsmarkt en/of het hoger onderwijs faciliteert.

In het schooljaar 2013-2014 is in de 13 steden een hogere waarde vast te stellen (67%) dan in het Vlaamse Gewest (60%). In de grootsteden Antwerpen en Gent liggen de cijfers ongeveer op het niveau van Mechelen en Genk. Het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest kent een hoger cijfer dan elk van de 13 centrumsteden. In vergelijking met de schoolse vertraging in het ASO ligt ze in het BSO 4 tot 5 keer zo hoog, hoger nog dan in het TSO.

De schoolse vertraging in het beroepssecundair onderwijs varieert in de 13 steden tussen 56% (Sint-Niklaas en Roeselare) en 73,5% (Antwerpen en Mechelen). In Sint-Niklaas, Roeselare, Turnhout en Brugge is ze het laagst. De hoogste aandelen zijn te vinden in Antwerpen, Mechelen, Genk en Gent.

In de grootsteden, Aalst en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest is het aandeel leerlingen met meer dan één jaar vertraging het grootst (vergeleken met alle leerlingen met vertraging).

Opmerkelijk is het feit dat bij de leerling die woont in de centrumstad de kans op schoolse vertraging beduidend hoger ligt dan bij de leerling die er niet woont. De enige uitzondering hierop is Turnhout. In de Gentse scholen bijvoorbeeld hebben de leerlingen met domicilie in de stad 72% kans op schoolse vertraging, diegenen die buiten de stad wonen 63%.

In de 13 steden samen en in de Vlaamse Gemeenschap zijn de waarden sinds 2007-2008 nagenoeg constant gebleven. Toch vond in Antwerpen en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest een duidelijke daling plaats. Roeselare, Turnhout en Sint-Niklaas zagen daarentegen een sterke stijging.

Deze indicator leest men best samen met indicatoren als ‘Spijbelgedrag in het voltijds secundair onderwijs’, ‘Spijbelgedrag in het deeltijds secundair onderwijs’, ’Schoolse vertraging in het lager onderwijs, het ASO, het TSO en het KSO‘ en ‘Ongekwalificeerde uitstroom uit het secundair onderwijs’.