Schoolse vertraging in het algemeen secundair onderwijs

Aandeel (%) van de leerlingen met schoolse vertraging in het eerste jaar van de tweede graad van het algemeen secundair onderwijs (ASO).

Schoolse vertraging in het algemeen secundair onderwijs: Tabel
Schoolse vertraging in het algemeen secundair onderwijs: Grafiek
Toelichting

Schoolse vertraging is een schoolloopbaankenmerk dat wijst op een hoger risico om de schoolcarrière niet te voltooien en om een lagere eindkwalificatie en bijgevolg een maatschappelijk zwakkere positie als volwassene te bereiken. Het wijst er op dat onderwijskansen niet gelijk verdeeld zijn over alle lagen van de bevolking.

In een leefbare en duurzame stad biedt het onderwijs, dat voldoende gedifferentieerd en territoriaal uitgebouwd is, gelijke kansen aan kinderen en jongeren, ongeacht het milieu waaruit ze afkomstig zijn. Scholen kennen en gaan actief aan de slag met de achtergrond van kinderen om problemen die een invloed hebben op de schoolcarrière te detecteren en te remediëren. Dit zorgt er voor dat alle jongeren een kwalificatie behalen, die toegang verleent tot de arbeidsmarkt en/of het hoger onderwijs en die de doorstroming naar de arbeidsmarkt en/of het hoger onderwijs faciliteert.

In het schooljaar 2013-2014 is in de 13 centrumsteden samen in het algemeen secundair onderwijs een hogere waarde (14,6%) vast te stellen dan in het Vlaamse Gewest (10,5%). Antwerpen kent waarden die veel hoger liggen dan Gent en de 11 centrumsteden. Gent heeft vrijwel dezelfde schoolse vertraging als het gemiddelde van de 13 steden. In het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest ligt het cijfer zeer hoog, maar – in tegenstelling tot het verleden - lager dan in Antwerpen.

De schoolse vertraging varieert in de 13 steden tussen 6,1% (Sint-Niklaas) en 27,5% (Antwerpen). In Sint-Niklaas, Roeselare, Brugge, Kortrijk en Turnhout is ze het laagst.

In Roeselare, Oostende, Antwerpen en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest is het aandeel leerlingen met meer dan één jaar vertraging groot (vergeleken met alle leerlingen met vertraging).

Opmerkelijk is het feit dat bij de leerling die woont in de centrumstad de kans op schoolse vertraging beduidend hoger ligt dan bij de leerling die er niet woont. De enige uitzondering hierop is Hasselt. In de Antwerpse scholen bijvoorbeeld hebben de leerlingen met domicilie in de stad 29% kans op schoolse vertraging, diegenen die buiten de stad wonen 21%.

In de 13 steden als geheel en in de Vlaamse Gemeenschap zijn de waarden sinds 2007-2008 vrijwel constant gebleven. Toch zien we zowel sterke stijgingen als dalingen in de individuele steden. Roeselare, Antwerpen en Turnhout kennen een stijging van 3 tot 4 procentpunten. Genk en Mechelen zien een duidelijke daling.

Deze indicator leest men best samen met indicatoren als ‘Spijbelgedrag in het voltijds secundair onderwijs’, ‘Spijbelgedrag in het deeltijds secundair onderwijs’, ’Schoolse vertraging in het lager onderwijs, het TSO, het BSO en het KSO‘ en ‘Ongekwalificeerde uitstroom uit het secundair onderwijs’.