Participatie van allochtonen in het secundair onderwijs op basis van thuistaal

Aandeel (%) leerlingen van het voltijds secundair en het deeltijds beroepssecundair onderwijs wier thuistaal niet het Nederlands is.

Participatie van allochtonen in het secundair onderwijs op basis van thuistaal: Tabel
Participatie van allochtonen in het secundair onderwijs op basis van thuistaal: Grafiek
Toelichting

In een leefbare en duurzame stad biedt het onderwijs, dat voldoende gedifferentieerd en territoriaal uitgebouwd is, gelijke kansen aan kinderen en jongeren, ongeacht het milieu waaruit ze afkomstig zijn. Leren omgaan met de diversiteit van de stedelijke omgeving is een uitgangspunt voor het onderwijs in de stad. Scholen kennen en gaan actief aan de slag met de achtergrond van kinderen om problemen die een invloed hebben op de schoolcarrière te detecteren en te remediëren. Dit zorgt er voor dat alle jongeren een kwalificatie behalen, die toegang verleent tot de arbeidsmarkt en/of het hoger onderwijs en die de doorstroming naar de arbeidsmarkt en/of het hoger onderwijs faciliteert.

In het schooljaar 2013-2014 spreken in de 13 steden samen 14,3% van de leerlingen in het voltijds secundair onderwijs thuis geen Nederlands. In het deeltijds beroepssecundair onderwijs (DBSO) ligt de waarde op 25,2%. Dit is hoger dan in het Vlaamse Gewest, vooral wat het voltijds onderwijs betreft. In het voltijds onderwijs en het DBSO bedragen de percentages in het Vlaamse Gewest 10,0% en 22,1%. Het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest kent met 58,2% en 73,4% de hoogste cijfers. Franstalige leerlingen worden ook hier meegeteld als diegenen wier thuistaal niet Nederlands is. In de grootsteden liggen de waarden gemiddeld hoger dan in de overige centrumsteden, ook hier vooral in het geval van het DBSO. Vrijwel overal ligt het percentage leerlingen wier thuistaal niet Nederlands is het hoogst in het BSO, gevolgd door het TSO, het ASO en het KSO. Het percentage in het DBSO ligt meestal nog hoger. Doorgaans lopen de percentages in het ASO en het TSO weinig uit elkaar. Alleen in Brussel is dat laatste verschil vrij groot.

Het aandeel leerlingen in het voltijds secundair onderwijs dat thuis geen Nederlands spreekt varieert in de 13 steden tussen 28,9% (Antwerpen) en 3,6% (Brugge). In het DBSO variëren de waarden tussen 38,9% (Gent) en 2,2% (Roeselare). Hoge waarden in het voltijds secundair vinden we ook in Genk, Mechelen en Gent en in het DBSO in Antwerpen, Mechelen, Sint-Niklaas en Leuven. Lage waarden in het voltijds onderwijs zijn er naast in Brugge ook in Roeselare, Sint-Niklaas, Turnhout en Hasselt; in het DBSO naast in Roeselare ook in Brugge, Turnhout en Genk.

In de 13 steden, het Vlaamse en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest zijn de waarden sinds 2009-2010 gestegen.

Deze indicator kan men lezen samen met indicatoren ’Schoolse vertraging in het ASO, het BSO, het TSO en het KSO’, ‘Spijbelgedrag in het voltijds secundair onderwijs en het deeltijds secundair onderwijs’ en ‘Ongekwalificeerde uitstroom uit het secundair onderwijs’.