Ongekwalificeerde uitstroom uit het secundair onderwijs

Aandeel (%) 17-22-jarigen dat in een bepaald jaar zonder kwalificatie uitstroomt uit het secundair onderwijs, tegenover het totaal aantal 17-22-jarigen dat in dat jaar uit het secundair onderwijs uitstroomt (met of zonder kwalificatie).

Ongekwalificeerde uitstroom uit het secundair onderwijs: Tabel
Ongekwalificeerde uitstroom uit het secundair onderwijs: Grafiek
Toelichting

Ongekwalificeerde uitstroom uit het secundair onderwijs verhoogt het risico op een maatschappelijk zwakkere positie als volwassene. Het wijst er op dat onderwijskansen niet gelijk verdeeld zijn over alle lagen van de bevolking.

In een leefbare en duurzame stad biedt het onderwijs, dat voldoende gedifferentieerd en territoriaal uitgebouwd is, gelijke kansen aan kinderen en jongeren, ongeacht het milieu waaruit ze afkomstig zijn. Scholen kennen en gaan actief aan de slag met de achtergrond van kinderen om problemen die een invloed hebben op de schoolcarrière te detecteren en te remediëren. Dit zorgt er voor dat alle jongeren een kwalificatie behalen, die toegang verleent tot de arbeidsmarkt en/of het hoger onderwijs en die de doorstroming naar de arbeidsmarkt en/of het hoger onderwijs faciliteert. Bovendien is de stedelijke leefomgeving een ‘leeromgeving, die informeel leren mogelijk maakt en stimuleert. Daartoe is een kwaliteitsvol aanbod aanwezig aan leermogelijkheden en daarbij aansluitende educatieve mogelijkheden, zowel in het klassieke onderwijs als daarbuiten (bijvoorbeeld via jeugdwerk, musea, enzovoort).

In de 13 steden hebben in 2010 gemiddeld 18% van de leerlingen, die les volgden in een school met vestigingsplaats binnen de stad, het secundair onderwijs zonder kwalificatie verlaten. Naar woonplaats van de leerlingen loopt dit cijfer op tot 21%. Het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest scoort met 23% en 27% aanzienlijk zwakker. Het Vlaamse Gewest doet het met 14% en 13% beter.

Onder de 13 steden varieert de ongekwalificeerde uitstroom naar vestingplaats tussen 26% (Antwerpen) en 10% (Roeselare). Ook Genk heeft een hoge waarde, terwijl Brugge en Leuven lage waarden vertonen. Naar woonplaats verschillen de waarden weinig: ook hier vormen Antwerpen (28%) en Roeselare (11%) de extremen.

Deze indicator kan men lezen samen met indicatoren zoals ’Schoolse vertraging in het ASO, het BSO, het TSO en het KSO’ en ‘Spijbelgedrag in het voltijds secundair onderwijs en het deeltijds secundair onderwijs’.