Netto-jobcreatie

De netto-jobcreatie geeft aan hoeveel (bezoldigde en zelfstandige) jobs er in de stad zijn bijgekomen in een bepaald jaar. Het gaat om de evolutie van de tewerkstelling tussen T-1 en T in verhouding tot de tewerkstelling op T-1 (jaargemiddelde).

Netto-jobcreatie: Tabel
Netto-jobcreatie: Grafiek
Toelichting

De netto-jobcreatie bevindt zich in de visiematrix onder ‘gezond economisch weefsel’ op het kruispunt tussen de activiteit ondernemen en het economische principe van de ontwikkeling van steden als aantrekkingspolen met een hoge werk- en leefkwaliteit, waar diverse vormen van creativiteit zich ontwikkelen. Een relatief hoge jobcreatie (bezoldigden en/of zelfstandigen) bekrachtigt dit.
De netto-jobcreatie bedroeg 0,3 per 100 bestaande jobs in 2011 in de 13 steden. Daarmee gaat de ratio voor het tweede opeenvolgende jaar in dalende lijn. Maar in 2008 werd een negatief cijfer genoteerd (-0,3%). In de jaren van betere conjunctuur (2006 en 2007) was de netto-jobcreatie het hoogst. De ratio ligt in de 13 steden doorgaans op een lager niveau dan in het Vlaamse Gewest als geheel.
Binnen de 13 steden is er nogal wat variatie. In het jaar 2011 scoort Leuven het hoogst (+2,8%). Ook in de voorgaande jaren kon Leuven meestal bij de hoogste gerangschikt worden. De West-Vlaamse steden Roeselare en Oostende noteerden in 2011 een netto-jobcreatie van meer dan 1%. Roeselare presteert doorgaans beter dan het gemiddelde van de 13 steden. Voor Oostende geldt het omgekeerde. De overige steden presteerden in 2011 binnen een brandbreedte van -1 en +1%, met uitzondering van Kortrijk (-1,8%).
De netto-jobcreatie determineert de jobratio, en is onder andere een gevolg van de netto-groei van ondernemingen. Het houdt ook verband met de pendelintensiteit (werkenden wonend buiten de stad).