Spijbelgedrag: Gezinsfocus

Aandeel (%) leerlingen in het lager onderwijs, het voltijds secundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs dat regelmatig problematisch afwezig is (“spijbelt”).

Spijbelgedrag: Gezinsfocus: Tabel
Spijbelgedrag: Gezinsfocus: Grafiek
Toelichting

Spijbelgedrag is een schoolloopbaankenmerk dat wijst op een hoger risico om de schoolcarrière niet te voltooien en om een lagere eindkwalificatie te bereiken. In een leefbare en duurzame Vlaamse stad kunnen kinderen, jongeren en volwassenen competenties aanleren die hen in staat stellen om hun talenten maximaal te ontplooien.

Over de 13 centrumsteden is het spijbelgedrag zowel in het lager onderwijs, het voltijds secundair onderwijs als in het deeltijds beroepssecundair onderwijs de laatste vijf jaar toegenomen.

In het lager onderwijs is er een toename van 0,2% naar 0,7% voor de 13 centrumsteden (voor de periode 2008-2009 tot 2013-2014). Het verschil tussen de stad met de hoogste en de laagste spijbelcijfers is ook sterk toegenomen. Dit houdt hoofdzakelijk verband met de toename van het aandeel spijbelaars in Gent (van 0,5% in 2008-2009 naar 1,5% tijdens het schooljaar 2013-2014).

In het voltijds secundair onderwijs is er een toename van 0,5% voor de 13 centrumsteden. In Antwerpen, Gent en Oostende ligt het spijbelgedrag voor de leerlingen van de lagere school en het voltijds secundair onderwijs hoger dan het gemiddelde voor de 13 centrumsteden.

In het deeltijds beroepssecundair onderwijs is over de 13 centrumsteden het aantal leerlingen met problematisch spijbelgedrag gestegen van 32,6 naar 37,9 leerlingen op honderd leerlingen. De sterkste stijging is er in Genk, een duidelijke daling is gemeten in Oostende, Brugge en Gent (zie Stadsmonitor 2014, hoofdstuk Leren en Onderwijs).

Het spijbelgedrag in het deeltijds beroepssecundair onderwijs kent ook een groot verschil tussen de 13 centrumsteden. De stad met de minste spijbelaars is Turnhout (13,1%), terwijl het hoogste aandeel geregistreerde spijbelaars zich in Leuven bevindt (57,2%).

Over de 13 centrumsteden spijbelen jongens meer dan meisjes. Voor het lager en het voltijds secundair onderwijs geldt dat ook voor de meeste steden apart. Het verschil is doorgaans echter klein.