Fiscale inkomens beneden de kritische grens

Het gemiddeld netto belastbaar inkomen per inwoner, het aandeel individuele aangiften onder de 10.000 euro (in %) en het aandeel gemeenschappelijke aangiften onder de 20.000 euro (in %).

Fiscale inkomens beneden de kritische grens: Tabel
Fiscale inkomens beneden de kritische grens: Grafiek
Toelichting

In een leefbare en duurzame stad probeert men de financiële armoede zoveel als mogelijk uit te bannen. Daarvoor moeten alle inwoners kunnen beschikken over een menswaardig inkomen.

In het inkomstenjaar 2012 bedroeg het gemiddeld netto belastbaar inkomen per inwoner in de 13 steden 16.655 euro. Dat ligt lager dan het Vlaamse gemiddelde, maar duidelijk hoger dan het gemiddeld netto belastbaar inkomen in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Het gemiddeld netto belastbaar inkomen ligt het hoogst in Leuven, Hasselt, Brugge en Aalst en het laagst in Genk en Antwerpen. Het verschil tussen de hoogst en laagst scorende stad bedraagt bijna 4.500 euro.

Terwijl het gemiddeld netto beschikbaar inkomen per inwoner in de 13 steden tussen 2009 en 2010 in nominale termen beperkt is gedaald, is het tussen 2010 en 2012 weer duidelijk gestegen. Omgerekend in reële termen (gecorrigeerd voor inflatie) gaat het tussen 2010 en 2012 echter veeleer om een stagnatie, zowel in de 13 steden als in het totale Vlaamse Gewest.

Als gekeken wordt naar het aandeel individuele aangiften onder de 10.000 euro, blijkt het percentage bij de 13 steden nagenoeg even groot te zijn als het Vlaamse gemiddelde. Het hoogste aandeel individuele aangiften onder de 10.000 euro is te vinden in Genk, het laagste aandeel in Aalst.

Bij de gemeenschappelijke aangiften is het verschil tussen de 13 steden en het Vlaamse gemiddelde groter: in de 13 steden ligt het aandeel gemeenschappelijke aangiften onder de 20.000 euro 3 procentpunten hoger dan het Vlaamse gemiddelde. Dat aandeel ligt het hoogst in Antwerpen en het laagst in Leuven.

Deze indicator leest men best samen met andere indicatoren over inkomensongelijkheid en materiële armoede zoals de indicatoren ‘Personen met overmatige schuldenlast’, ‘Betaalbaarheid van het wonen: betalingsmoeilijkheden’, ‘Betaalbaarheid van zorg en opvang’ en ‘Huishoudens met betalingsmoeilijkheden’.