Basismobiliteit in de wijk

Aandeel (%) inwoners dat woont binnen 500m loopafstand van openbaar vervoer met minimum­frequentie.

Basismobiliteit in de wijk: Tabel
Basismobiliteit in de wijk: Grafiek
Toelichting

De basismobiliteit in de wijk zegt vooral iets over de kwaliteit van de dagelijkse woon- en leefomgeving in de stad. In een leefbare en duurzame stad wordt deze woon- en leefomgeving uitgebouwd rekening houdende met de behoeften van wijkbewoners en wijkgebruikers. De verschillende voorzieningen in de wijk (op vlak van mobiliteit) vervullen verschillende belangrijke functies in de stad: 1) ze dragen bij aan de kwaliteit van de woon- en werkomgeving, 2) ze bevorderen de sociale verwevenheid in de wijk, waardoor de deelname aan het maatschappelijke leven van alle wijkbewoners mogelijk wordt versterkt en 3) ze bevorderen de verwevenheid van functies in de buurt.

Het aandeel inwoners dat woont binnen 500m loopafstand van een halte met minimumfrequentie verschilt sterk tussen de centrumsteden. In Aalst en Antwerpen beschikt meer dan 90% van de inwoners over voldoende openbaar vervoer op een weekdag. In Turnhout, Oostende, Leuven, Mechelen en Gent schommelt dit tussen 80% en 90%. In Roeselare en Kortrijk kan minder dan de helft van de inwoners rekenen op basismobiliteit.

Deze verschillen zijn nog groter op een zondag. In Brugge, Antwerpen, Oostende en Turnhout beschikt meer dan 90% van de inwoners over basismobiliteit. In Roeselare is dit maar 27,8% en in Genk 11,8%.

De verschillen tussen de steden zijn minder groot op een zaterdag dan op een weekdag of een zondag. Zo beschikt op een zaterdag meer dan de helft van de inwoners van alle steden over voldoende basis­mobiliteit.

Het aandeel inwoners dat niet kan beschikken over openbaar vervoer dat voldoet aan de basismobiliteitsnorm wegens te weinig doortochten verschilt ook sterk tussen de steden. Dit aandeel is op een weekdag het kleinst in Antwerpen, Aalst, Leuven en Gent en het grootst in Roeselare met als enige stad een aandeel groter dan 50%. Op een zondag is dit aandeel in zo goed als alle steden, behalve in Brugge, Oostende, Kortrijk en Turnhout, groter dan op een weekdag. Met het grootste verschil in Genk (+42 pp.) en Aalst (+37pp.). Het aandeel inwoners dan niet over basismobiliteit kan beschikken is het grootst in Roeselare (66,8%) en Genk (83,5%).

Het aandeel inwoners dat niet over basismobiliteit kan beschikken wegens de afwezigheid van openbaar vervoer binnen de afstand voorzien door de basismobiliteitsnorm is in elke centrumstad, zowel in de week als in het weekend, kleiner dan 8%.

De indicator leest men best samen met andere indicatoren over buurtvoorzieningen zoals ’Lager onderwijs in de wijk‘, ’Bereikbaar openbaar buurtgroen‘, ’Speelruimte in de wijk‘, ‘Open jeugdruimte’ en ’Overdekte ‘jeugdruimte in de wijk‘.